Kenniscentrum borstvoeding

Een houvast bij borstvoeding voor moeders en professionelen

In 1974 werd tijdens de 27ste Wereldgezondheidsvergadering een algemene en wereldwijde daling van borstvoeding vastgesteld. Er was een verband tussen de terugloop van borstvoeding en sociaal-culturele en andere factoren, waaronder de verkoopsbevorderende activiteiten voor babyvoeding (o.a. kunstmatige zuigelingenvoeding). Aan de lidstaten werd gevraagd dit te onderzoeken en zonodig maatregelen te voorzien waaronder reclamecodes en wetgeving.

In 1979 gingen in Genève 150 vertegenwoordigers van overheden, organisaties van de Verenigde Naties en andere internationale instellingen, particuliere organisaties, de zuigelingenvoedingsindustrie en deskundigen in de betrokken vakgebieden vergaderen over volgende thema’s:

  1. Bevordering en ondersteuning van borstvoeding
  2. Bevordering en ondersteuning van geschikte en tijdige toepassing van aanvullende voeding (overgang op vaste voeding) aan de hand van plaatselijke voedingsbronnen
  3. Uitbreiding van onderwijs, opleiding en voorlichting op het gebied van voeding van zuigelingen en jonge kinderen
  4. Verbetering van de gezondheidstoestand en sociale positie van vrouwen in verband met de gezondheid en voeding van zuigelingen en jonge kinderen
  5. Het op de juiste wijze op de markt brengen en verspreiden van vervangingsmiddelen voor moedermelk.

In mei 1980 werd op de 33ste Wereldgezondheidsvergadering de verklaring en de aanbevelingen onderschreven over wat bereikt was op de vergadering te Genève. Er werd gevraagd om een internationale gedragscode op te stellen voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk.

Op 21 mei 1981 werd De Internationale Gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk aangenomen met 118 stemmen voor, één tegen en drie onthoudingen. Deze gedragscode heeft tot doel borstvoeding te beschermen. De gedragscode doet een aanbeveling om het aantal manieren te beperken waarop promotie gemaakt mag worden voor kunstvoeding, flesjes en spenen, en benadrukt de verantwoordelijkheid van gezondheidswerkers voor het bevorderen van borstvoeding.

In 1990 werd de Innocenti Declaration ontwikkeld door de deelnemers aan de WHO/UNICEF bijeenkomst over borstvoeding. Dit verdrag erkent dat borstvoeding uniek is en roept dan ook alle overheden op om:

  1. Een nationale borstvoedingscoördinator aan te stellen, evenals een multidisciplinaire nationale borstvoedingscommissie.
  2. Te verzekeren dat elke instelling die zorg verleent aan zwangeren en kraamvrouwen de ‘Tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding’ zoals die zijn vastgelegd in een gezamenlijke verklaring van WHO/UNICEF (later de basis voor het Babyvriendelijke Ziekenhuis) volledig implementeert.
  3. De Internationale Code en andere hierbij horende Resoluties van de Wereldgezondheidsraad te implementeren.
  4. Wetten te maken die het recht van werkende vrouwen om borstvoeding te geven beschermen.

In 1991 werd het borstvoedingsprogramma ‘Babyvriendelijk Ziekenhuis’ (Baby Friendly Hospital Initiative) opgesteld door de WHO en UNICEF. Dit is een instrument om de best mogelijke zorg te verlenen in de begeleiding bij borstvoeding. De ‘Tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding’, vormen de grondslag voor een goed beleid en zijn wetenschappelijk aantoonbaar effectief (World Health Organisation (1998). Evidence for the Ten Steps to Successful Breastfeeding. WHO/CHD/98.9. Geneva: WHO.http://www.who.int/child-adolescent-health/New_Publications/NUTRITION/WHO_CHD_98.9.pdf ). Organisaties die voldoen aan de tien vuistregels kunnen het WHO/UNICEF certificaat behalen.

Een goed borstvoedingsbeleid stopt niet na de kraamperiode. In het Verenigd Koninkrijk en later in Canada, Ierland en Denemarken werd naar analogie met het Baby Friendly Hospital Initiative een certificaat uitgewerkt voor de maatschappelijke gezondheidszorg, namelijk: ‘The Seven Point Plan for the Protection, Promotion and Support of Breastfeeding in Community Health Care Settings’. In Nederland werd door de stichting ‘Zorg voor Borstvoeding’ een soortgelijk stappenplan en certificaat opgesteld, namelijk: ‘De Zeven Stappen voor ondersteuning van borstvoeding in de Jeugdgezondheidszorg’. Diensten en organisaties betrokken bij de zorg rond borstvoeding bij het jonge kind kunnen een certificaat behalen en tonen hiermee aan dat ze borstvoedingsvriendelijk, -ondersteunend en -bevorderend zijn.